Pieter Rabus wrote to Leeuwenhoek more about dowsing rods

Date: 
July 30, 1696
Document: 

Dutch text available at ePistolarium

Mijn Heer,

UWe ondervinding, na een keurlijk onderzoek, wegens de vette en klevende vogt, uit de bladen van sommige boomen uitgestooten, verzekert my, by voorraad, dat het vallen van den Honigdauw uit de lugt mag gesteld worden op de lijst van ettelijke hondert praatjes, die de gemeene man elkanderen op hooren zeggen plagt voort te vertellen, en waar van ik hier ligtelijk een gedeelte zoude aanhalen, by aldien ik niet bewust was, dat ze by UE zoo wel als by my voor valsch te boek staan.

Wech woorden! wech vertellingen! wech boeken!
Als 't Waarheid geld.
De boodschap is, de dingen 't onderzoeken.
Bevinding knelt.

Ik worde daar in te meer gesterkt, om dat men den zoogenaamden Honigdauw, als ze uit de lucht quam vallen, juist niet van sommige, maar van allerley bladen van boomen zoude zien afdruipen. Mijne gedagten liepen d'er op, toen ik de laatste reis aan Uw huis ben geweest, ziende, in mijn doorgang door Delft 's morgens vroeg, de droppelen, uit de boomen gevallen, als een olyachtige stoffe overal op de straten en stoepen leggen.

Dat ook dergelijk een lijmachtige vogt by wijlen in de sloten en veenwateren, zig uit den groene vertoonende, gevonden word, gelijk my voorstaat gehoort te hebben, is wel te begrijpen.

Maar met verwondering hoore ik, dat de hazelare rijsjes niet meer in de Delfsche handen willen werken.

Toen ik het... voorlas, meende... dat ik boertender wijze een klugtje uitmijn hoofd verzon. Men zou gelooven, dat de gesteltenisse des lichaams 't eeniger tijd wel weêr zal komen. Hier te Rotterdam is de eigenschap tot nog toe onfeilbaar.

Want waarlijk mag ze onfeilbaar genoemd werden, dewijl ik, en andere mijne vrienden, op ontallijke wijzen de persoon, en zy haar zelven (laat de wereld slegts weten dat het een ZY is) ten toets gesteld hebbende nooit in onze verwagting bedrogen, maar altijd, zelf boven verwagting, voldaan zijn.

UE kan getuigen, na hoe veelerley verzoekingen, de zake, zoo zeldzaam als ze schijnt, waarachtig is bevonden; en ik kan UE nader bevestigen, niets nagelaten te hebben, omme haar, ware het mogelijk geweest, te misleiden: maar het rijsje, of Wichchelroedje, zoo haast het in hare handen is, en omtrent goud of zilver komt, gaat zijn gang, en wil na geen bedrog nog verzoeking luisteren. Hoe d'er meer van die edele muntstoffe by een is, hoe het harder word bewogen, wijzende met zijn voorste spits achter om, of voor over, na het middelpunt daar de schat legt. Indien de stoffe hooger op boven het bereik der handen is gelegen, dan trekt, en lilt, en zwoegt het om opwaarts te steigeren, hoe vast het ook van de handen gehouden werd, want meer vermag het dan niet; maar zoo ze om laag legt, straks keert het zig benedenwaarts. Van zoo vele menschen, als aan welke het vertoond is, hebben we tot nog toe niemand, nog man nog vrouw, gezien, in wiens hand het ook beweging maakte, als alleenlijk dan, wanneer het, zoo vliegens na de gedane werking, uit hare handen in die van een ander overging: als dan hebben we bevonden, dat 'er nog merkelijke beweging in was; maar als die zelve persoon dan een versch roedje nam, dat zy op dien stond niet behandelt had, dan bleef het in zijn handen zoo stijf als een bezemstok.

Hoe hare handen meer aan 't werk geweest, en van het gewoel der houtjes rood geknepen, en warm gewrongen zijn, hoe de beweging kragtigst is: en ik neme 'r dikwils mijn vermaak van, dan met dit, dan met dat onderzoek.

De rijsjes, gesneden van dien tijd af, toen we deze natuerlijke toovery eerst ondervonden, hebben we, behalven ettelijke die verbroken zijn, tot nog toe behouden, en we bespeuren, dat ze dor en droog geworden zoo sterk niet draaijen, als versch van den boom gesnedene: maar 't is nog een lust om te zien, hoe deze verdroogde takjes gelijk als geperst werden, zig na die hoogwaardige bergstoffe te buigen, en haar eerbiedigheid voor de zelve te toonen: tot zoo verre, dat niet alleen vele zig den bast hebben afgewrongen, maar nog meer onder het buigen aan stukken geknapt en gebroken zijn.

Ik moet hier by zeggen, dewijl men my dikwils vraagt, of'er aan de wijze van de takjes te snijden veel gelegen is, dat we, hoewel des vermaand, nooit de minste opmerking op derzelver juiste lengte of evengelijkheid der knorven (anders quasten) genomen hebben. 't Is genoeg, dat... versch gesnedene tweesprankelde rijsjes heeft, van een tamelijke jeugd; niet te jong, op dat ze niet breken, niet te oud, op dat ze niet te sappeloos en te stijf zijn. Zoo het roedje dun en teeder is, het zal, tusschen twee vingeren gevat, zijn werking doen, maar zoo 't al te zwaar en dik is, dan doet het hare handen wee. Ze heeft het eenige weinige reizen voor my met zulk een grof ding bezogt, en was genoodzaakt, wilde ze geen vel uit de holte van hare handen verliezen, 't zelve te laten vallen.

Wonderlijk scheen het my dezer dagen, dat goud of zilver, verborgen onder porcelein, 't welk vast om den rand sloot, de roede zoo ligtelijk niet gaande maakte, als onder andere stoffe of steen gelegen; maar is'er eenige de minste opening, dan gaat het als na gewoonte.

Mijne verdere bevindingen, die ik voor my beware, zullen op onze eerste samenkomst een gedeelte van onze byzonderen onderhoud verstrekken. Ik steuite hier de vlugt mijner penne, die tot ander werk word geroepen, na alle heilwensch blijvende,

Mijn Heer,
UE Vriend en Dienaar,
P. Rabus.

Rotterdam den 30sten van Hooimaand 1696.