Pieter Rabus wrote to Leeuwenhoek about dowsing rods

Date: 
May 16, 1696
Document: 

Dutch text available at ePistolarium

Mijn Heer en Hooggeachte Vriend.

ONze vriendschap beweegt my zonder omzwachteling het volgende nieuws UE. toe te zenden.

Voorlede zaturdag den twaalfden dezer loopende maand bezogt my de Heer K.V.B... Raad der stad..., een geleerd eerlijk man, door zijne schriften en Wiskonstige uitvindingen vermaard, aan wien ik zedert eenige jaren kennisse hebbe gekregen. Deze had my voor een wijl beleden, dat hy een der menschen was, die door ik weet niet welk een gesteldheid en eigenschap van lichaam ('k had byna verborgene hoedanigheid gezegd) met de zoogenaamde Wichelroede goud, zilver, en andere bergstoffen, gevolgelijk ook verborgene schatten konden ontdekken, op dezelve wijze gelijk de bergstof-zoekers gewoon zijn; namentlijk met een tweesprankelig rijsje, of takje van verscheide boomen, dog best van Hazelaar, volgens zekere aanmerking gesneden, 't welk, stijf en onbewegelijk aan twee einden in beide de handen vast gehouden, zijn voorste tip, die als een wijzer is, aanstonds wend en keert na de plaats daar goud of zilver schuilt, ja zig zelven geheel en al in de handen ombuigt, en omwringt, 't zy op of nederwaarts na het middelpunt des perks, binnen den kring der werkelijkheid, daar het goud of zilver is gelegen.

Gelijk ik een doodviand van bygeloofben, en zeer zelden uit praatjes ofloopmaren de waarheid eener zake anneme, alzoo bekruipt my nooit argwaan, wanneer een opregt man eenige zeldzame zaak bevestigt, waar aan de ervarenheid haar zegel steekt.

Zien gaat evenwel voor hooren zeggen, en eigen ondervinding gebrak 'er dus verre aan, omme met zuivere vergewissing over dat vremd bedrijf(in landen daar rijke holen zijn op de proefkennelijk) my zelven te konnen voldoen. UE kan derhalven lichtelijk denken, dat ik uit nieuwsgierigheid deze stoffe in een t'zamenkoutinge met den man weder te berde hebbe gebragt.

't Is zoo geschied. Hy herhaalde zijn gezeg als voorhenen, en sterkte het met vele gelooffelijke omstandigheden, niet onwillig, zoo men hem toegang tot een bequamen haasnoten boom gaf, zijn rijsje daar van te snijden, en 't schouwspel voor ons gezigt te vertoonen.

We hadden iemand in 't gezelschap, die, vry wat ongelooviger als ik, met yver aanhield dat het den goeden Heer, aan wiens opregtheid hy wel niet twijffelde, mogt gelieven, hem van zijn Thomasachtigheid door overtuiging te genezen; zoo niet, dan verzogt hy, dat men 't hem niet qualijk afnam, indien hy achterdogt van bedriegery had.

Ik vergat UE terstond te zeggen, dat de Heer V.B. verzeld was van zijn Zoon, een jongeling van 18 jaren, die alle onze praat met stille lippen aanhoorde, en niet eer begon te spreken, als toen het zijn 's Vader eere scheen te gelden; wanneer hy, gelijk als Kresus Zoon, dien zijn tonge losbarste, spraakvaardig geworden zig liet hooren; men behoefde in allen gevalle zijn Vader niet te gelooven: hy zelve was magtig ons te overtuigen, dewijl het natuergeheim hem zoo wel als zijn Vader was aangeboren. Dit was voet by stek gezet. De Vader verklaarde, dat zijn Zoon waarheid sprak, want dat de roede hem veel sterker in de handen sloeg, dan hy zelf gewoon was die te voelen.

't Jammerde ons, dat het dien avond te laat was, om by een hazelaar te komen, weshalven ik en mijn ongeloovige vriend den Vader en Zoon baden; Zy wilden dog dien nagt te Rotterdam, en 's anderen daags onze gasten blijven: wy zouden dan op ons gemak een hazelaartje konnen krijgen, en der zake een proef nemen. Na wat woordenwisseling stonden zy 't verzoek toe, en de Zoon deed my toen al met zijn rondborstige aanbieding een gewenschten uitslag hopen.

Den volgenden dag gingen wy dan gezamentlijk in een tuin, pas buiten de stad gelegen, alwaar de jongeling twee of drie der gezeide tweesprankelige takjes sneed, dien hy 't loof afkapte, en by zig stak; keerende met dezelve weder ter plaatse, daar nog meer gezelschap met ons het middagmaal stond te houden.

Toen heeft deze jongman (de eenigste van zijn 's Vaders 9 levendige kinderen, die, nevens hem, alleen met de vorensbeschrevene eigenschap begaafd is) ons voor en na de maaltijd meer als 25 openbare proeven van de zaak gegeven, die den ongeloovigen vriend en ons alle overtuigden: namentlijk wy zagen, dat het Wichchelroedje in zijne handen onbeweegelijk bleef, wanneer het verre van goud of zilver was, maar zoo haast als 't daar omtrent naderde, 't zy in wat schuilhoek het lag, dat het rijsje, 't welk hy stijf in de handen hield, en met de duimen vast knelde, zig aanstonds begon te roeren, draaijen, buigen, en met het spits te wijzen, 't zy voor of achterwaarts, daar de goude of zilvere stof gelegen was, of daar ze gebragt of gehouden wierd, in dier voegen, dat het houtje zijn vlees pijnde, en zig zelven schier den bast afwrong.

Als wy alle, daar jegenwoordig, genoodzaakt der waarheid getuigenisse te geven, bekenden, dat die byzondere eigenschap in den toonder gehuisvest was; sloeg de Heer V.B. voor, dat een ygelijk van 't gezelschap het zelve ook eens mogt bezoeken, of misschien iemand met dergelijken aart geboren was: want hy voegde d'er by, of schoon men van honderden geen vind, dien dit eigen is, dat het nogtans wel gebeurde, dat iemand, des onkundig, by eenig geval van zoodanigen gesteldheid bevonden wierd.

Hier op bezoeken wy 't, een voor een: maar hoe wy 't bezogten of niet, het rijsje bleef in onze handen onbewegelijk, en roerde zig, of digt by 't goud, of verre van daar, zoo luttel, als of het in de handen van den metalen Erasmus had gestaan. 'k Wil zeggen, ik en alle de anderen gevoelden niet, dat het rijsje, eenige trekking in onze handen maakte, uitgenomen juist alleen..., die het aanvattende, zoo als... maar het goud of zilver naderde, het wringen en draaijen van 't zelve byna even zoo sterk als de jonge Heer V.B. gewaar wierd, en in 't byzijn van ons alle te zamen niet minder proeven deed, als hy eerste toonder gedaan had.

Ik stond verzet, en nam 's avonds een van de Wichchelroedjes, dat maar alleen heel was gebleven, met my na huis; alwaar... zedert dien tijd het vorensverhaalde menigmaal voor mijn oogen gedaan heeft, en nog dagelijks doet, schoon het rijsje nu ook al gebroken en verkort is. 'k Ben voornemens meer dergelijke rijsjes te snijden, en... die vremde trekking verder te laten nasporen: 't welk zoo wanneer gelukt, gelijk ik niet twijffele, is de zonderlinge eigenschap onfeilbaar.

Wy hebben den Heer V.B. met zijn Zoon dien dag aan de Goudsche wagen gebragt, en de boodschap aangenomen, van UE uit zijnen name gedienstiglijk te groeten: 't welk by dezen gedaan word. Hy was de man, die met den Ed. Heere V... ten uwen huize UE natuer-ontdekkingen eens quam zien; en van wien ik in het uittreksel van 't Fransche werkje de la baguette divinatoire (Snoei- en Grasmaand 1694) gewag maakte. Dog nademaal het bezwaarlijk is, de reden van dit Natuergeheim nettelijk te ontvouwen, wil ik UE verzogt hebben, UE verreziende oogen daar over te laten gaan, en zoo UE wegens het goud, of den hazelaar iets bedagt heeft, het zelve my mede te deelen.

UE weet met my; hoe de Filozofen dezer eeuwe dit gansche werk t'huis brengen tot die fijne vlugge lichaamtjes, of stofjes, by Gassendus en Deskartes te vinden, waar uit de heimelijke medeneiging of t'zamentrekking, gelijk als die van den Zeilsteen, verklaard word: maar ik kenne menschen, die het daaren boven ook uit den aart des genen, wien zulk een trekgevoelen is aangeboren, gaarne, wen 't hun gebeuren mogte, zagen nagevorscht. Dit is zeker, dat 'er weinig geheim in 't houtje moet steken; want als het daar alleen in gelegen was, zoude een ygelijk mensch die vertooning konnen doen; nu kan het niemand vertoonen, dan die juist zulk een eigenschap heeft.

Ik breke, dit haastig schrijvende, by tijdgebrek af, en verlange enz. of liever UE zelf in persoon hier te zien, op dat deze natuerlijke toovery ook voor UE oogen geschiede enz..

Rotterdam den 16den van Bloeimaand 1696.